28 mei 2018 | Tekst: Martijn Plantinga | Beeld: Inge van de Weem

 

Het effect van nieuwe aandoeningen in de basisverzekering

Steeds meer fysiotherapeutische zorg komt in de basisverzekering terecht. Claudicatio Intermittens (CI) was in 2017 één van de eerste fysiotherapeutische behandelingen die in de basisverzekering vergoed werden. Voor ons een reden om te kijken naar het eff ect hiervan. Ook kijken we naar het gebruik van klinimetrie. Vooral de verzekeraars gebruiken deze cijfers steeds vaker om kwaliteit in de zorg te meten. Tot slot geven we een overzicht van de leeftijdsverdeling van patiënten in de fysiotherapiepraktijk.  

 

Claudicatio Intermittens in de basisverzekering: wat zijn de gevolgen?  

De zorg verandert. Het streven is om optimale kwaliteit te bieden tegen zo laag mogelijke kosten. Om de efficiëntie te vergroten worden diverse maatregelen genomen. Eén hiervan is dat voor steeds meer aandoeningen behandelingen bij de fysiotherapeut worden vergoed vanuit de basisverzekering. Door patiënten niet direct door te verwijzen naar een vaatchirurg kan wellicht bespaard worden op de zorgkosten. Begin dit jaar werd artrose in knie en heup daaraan toegevoegd en er ligt al advies van het Zorginstituut om ook COPD op te nemen. 

 

 

De behandeling van Claudicatio Intermittens (‘etalagebenen’) is sinds 2017 opgenomen in de basisverzekering (37 behandelingen worden volledig vergoed wanneer de huisarts of specialist verwijst). Met ParaBench willen we in kaart brengen wat bijvoorbeeld de invloed van opname in de basisverzekering is op het aantal patiënten en het aantal zittingen. In Figuur 1 vergelijken we de cijfers in de periode 2014 tot 2017.  

We zien dan dat zowel het aantal patiënten als het aantal zittingen in 2017 fors is toegenomen. In de jaren 2014-2016 bedroeg Claudicatio Intermittens ongeveer 0,2% van het totale aantal indicaties. Dat percentage is in 2017 gestegen  naar 0,41%. Een verdubbelding! Kijken we naar het behandelvolume, dan zien we dat dit is gestegen van 0,63% naar 0,82%. Hoewel het om relatief kleine aantallen gaat kunnen we toch voorzichtig concluderen dat het opnemen van Claudicatio Intermittens behandelingen in de basisverzekering effect heeft op het aantal patiënten en zittingen.
 

Op basis van NHG-gegevens (Nederlands Huisartsen Genootschap) over de incidentie en prevalentie zouden er ongeveer 50.000 Nederlanders per jaar last hebben van symptomatisch chronisch obstructief arterieel vaatlijden, waar Claudicatio Intermittens onder valt. Op basis van de ParaBench cijfers waren er in 2016 rond de 8.000 patiënten bij de fysiotherapeut onder behandeling voor deze aandoening. Dit aantal is in 2017 meer dan verdubbeld tot ruim 16.000! Ten opzichte van de 50.000 Nederlanders met Claudicatio Intermittens is dit echter maar een derde deel.

 

Dat is een opvallend gegeven, want de intentie is namelijk dat iedereen éérst voor behandeling een fysiotherapeut bezoekt en pas daarna eventueel naar de vaatchirurg gaat. Hoewel we het aantal patiënten groter hadden verwacht, lijkt er in ieder geval beweging te ontstaan in de richting van de fysiotherapie door het opnemen van de behandeling in de basisverzekering. En dat is interessant. Na dit jaar kunnen we bijvoorbeeld ook laten zien wat het effect is van het opnemen van artrose in knie en heup in de basisverzekering. Steeds meer gebruik van klinimetrie Bij het beoordelen van de kwaliteit van de zorg wordt steeds meer gebruik gemaakt van klinimetrie. De klinimetrie houdt zich bezig met het meten van klinische verschijnselen en beoordeelt vooral de kwaliteit van meetinstrumenten en metingen. Denk aan het meten van de aard van symptomen (zoals pijn) en het meten van het effect van een therapie of behandeling.

 

In Figuur 2 (gebruik Klinimetrie) bekijken we cijfers van de drie meest gebruikte meetinstrumenten. Bij de samenstelling van deze cijfers is het belangrijk dat er bij een patiënt minimaal 2 metingen zijn gedaan. Het meest gebruikte instrument is de PSK (Patiënt Specifieke Klachten), gevolgd door de VAS (Visual Analogue Scale). Met PSK kan de status van een individuele patiënt worden bepaald. De patiënt selecteert de 3 tot 5 belangrijkste klachten op het gebied van fysieke activiteiten, waarbij hinder wordt ervaren. VAS is een meetinstrument dat bestaat uit een rechte lijn met aan beide uitersten twee tegenovergestelde beweringen. Bijvoorbeeld ‘geen pijn’ en ‘de ergste pijn’. De patiënt kan hiermee aangeven hoe erg de pijn is. Een derde meetinstrument is de GPE (Global Perceived Effect). Hiermee wordt de mening van de patiënt over het herstel gemeten. De GPE bestaat uit 2 items die beantwoord dienen te worden op een 7-punts schaal. De schaal loopt vanaf ‘volledig hersteld’ tot ‘slechter dan ooit’. In de grafiek is bij alle instrumenten een duidelijke stijging te zien in de afgelopen jaren. Het gebruik van de GPE is bijvoorbeeld flink toegenomen: van 0,36% in 2015 naar 3,12% in 2017. 

 

Als we conclusies willen trekken over de kwaliteit van zorg, willen we dat kunnen baseren op veel data. En als we meer op uitkomsten gaan meten, is het belangrijk dat zoveel mogelijk praktijken op eenzelfde manier de patiënt ondervragen. De perceptie is dat er binnen de fysiotherapie heel veel klinimetrie wordt uitgevraagd. Maar zelfs als de VAS en de PSK allemaal naast elkaar uitgevraagd worden, dan nog halen we bij lange na geen dekking van 60%. Daarbij kunnen we gerust opmerken, dat de praktijken die hun cijfers uploaden naar ParaBench waarschijnlijk meer vragenlijsten afnemen dan de gemiddelde praktijk. Dit gaan we in de loop van 2018 in de gaten houden en bekijken welke ontwikkelingen hier ontstaan. 

 

Steeds meer verzekeraars voeren beleid om klinimetrie te verzamelen. Zo zijn verschillende verzekeraars vertegenwoordigd in het MDS (Minimale Data Set) project. In deze pilot wordt bekeken of de ‘minimale dataset’ een goede en haalbare manier is om behandelresultaten in de praktijk te toetsen. ParaBench is onderdeel van deze pilot en zal samen met andere partijen data aanleveren aan IQ Healthcare. Dit is een internationaal topcentrum voor onderzoek, onderwijs en ondersteuning van kwaliteit, veiligheid en innovatie in de gezondheidszorg. 

 

Klachten door tablets en smartphones  

Sinds 2010 groeit het aantal kinderen dat bij de fysiotherapeut onder behandeling komt voor nek- en rugklachten gestaag. Veel klachten zoals nekpijn, hoofdpijn en pijn tussen de schouderbladen lijken gerelateerd aan het gebruik van smartphones en tablets. Zoals bekend zitten de kinderen daarbij veel met het hoofd voorovergebogen, wat zorgt voor een forse belasting van de nek. En hoewel hier in de media en aan diverse keukentafels veel over wordt gesproken en gespeculeerd, zijn hiervoor nog geen harde wetenschappelijke cijfers te vinden. Ook in de fysiotherapiepraktijken kunnen we het nog niet hardmaken.

In Figuur 3 (Leeftijdsverdeling) zien we, als we specifiek kijken naar nek- en rugklachten, ook geen duidelijke toename. Er is wel een toename in absolute aantallen, maar niet relatief als we het afzetten tegen de totale populatie die in behandeling is.

 

Als we de leeftijden niet clusteren in groepen, maar kijken naar de exacte leeftijd ten tijde van de fysiotherapeutische behandeling (Figuur 4: leeftijdsverdeling), zien we een opvallende daling tussen het 16e en 19e levensjaar. Kinderen tot en met 17 jaar zijn in de basisverzekering meeverzekerd. Vanaf 18 jaar niet meer en precies op deze leeftijd zien we dus een flinke daling van het aantal klachten dat wordt behandeld bij de fysiotherapeut. Daarnaast zien we dat de afgelopen 4 jaar de gemiddelde leeftijd gestegen is van 47,2 naar 48,1. Dit is een trend die al langer zichtbaar is en waarschijnlijk valt te verklaren doordat we steeds ouder worden en dus ook meer zorg nodig hebben.

 

Meer info:

Oproep

 

Ziet u trends in de markt? Heeft u bepaalde ideeën of wilt u juist meer weten? Mail ons uw vraag en wij gaan ermee aan de slag.

 

Vanuit de benchmark kunnen we verschillende dwarsdoorsnedes maken op bijvoorbeeld leeftijd, klacht, verhouding man/ vrouw etc. Wilt u cijfers zien van de behandeling van schouderklachten.

 

Hoe de verdeling qua leeftijd is bij nieuwe instroom? U kunt het zo gek niet bedenken of we kunnen u aan de hand van de beschikbare cijfers antwoorden geven.

 

Mail uw verzoek naar Kris Ubink: kubink@intramed.nl.