19 juni 2017 | Tekst: Martijn Plantinga, fotografie Inge van Olst (portretten) |  www.movemens.nl

 

Fysiopraktijken moeten nú hun identiteit bepalen

 

Heel logisch eigenlijk, in een markt waarin beweging zo essentieel is als die van de fysiotherapie, dat de fysiotherapeut die zelf niet beweegt bedrijfsmatig eigenlijk ten dode is opgeschreven. De fysiotherapeut die het beroep nog enkel beoefent ‘aan de bank’ en daarmee zijn boterham kan verdienen, is een uitstervende soort. Is deze ontwikkeling iemand of iets te verwijten? Is het de ‘schuld’ van de patiënt? Is de fysiotherapeut zelf te vasthoudend of is het de zorgverzekeraar te verwijten dat deze niet helder en transparant genoeg communiceert waar het de komende jaren heen gaat met de vergoedingen en hoe de structuur gaat lopen? Of moeten we misschien de overheid hierop aanspreken? Feit is dat bewegingen in de markt er voor zorgen dat wij zullen moeten meebewegen en liefst een voorsprong nemen op de rest. Doen we dat niet, dan zien we deze zorgondernemers straks in alleen nog maar lege zalen, bij een lege behandelkamer waarin alleen maar lege banken staan. En dat, terwijl onze doelgroep in aantal alleen maar toeneemt. Patiënten willen meer zorg en hebben deze ook hard nodig.

 

Differentiatie

Een aantal jaar geleden uitten de zorgverzekeraars hun wens voor differentiatie in de markt, vanuit de Plus-gedachte.

Het doel was om vanuit die differentiatie kostenbeheersing in combinatie met kwaliteitsverhoging te bewerkstelligen. Nu blijkt dat dit gekozen model toch niet zo effectief is gebleken, zijn we in de fase beland ‘Hoe nu verder?’ In dezelfde periode legde de minister de vraag bij de overheid om te kijken naar andere financieringsvormen. Kijk eens naar een alternatief voor betalen per behandeling. Ook hebben we een verschuiving gezien voor chronische fysiotherapie, zoals artrose. Er zijn al voorstellen om dit soort aandoeningen weer in de basisverzekering op te nemen. Kortom, er zijn al veranderingen in gang gezet en mede hierdoor er is nog veel onzekerheid.

 

Keurmerk Fysiotherapie werd opgericht om voor de Pluspraktijk een betere methodiek te vinden zodat zij naar de zorgverzekeraars konden aantonen: wij kunnen kwaliteit bieden en bewaken. De methodiek die de afgelopen zes jaar is gehanteerd voor de Plus-differentiatie heeft niet goed gewerkt. Feitelijk laten de zorgverzekeraars weten: dit werkt niet, willen jullie zelf een oplossing bedenken? Geef maar aan welke methodiek jullie willen. In die fase zijn we nu beland.

 

 

 

 

Twee soorten Plus

Wat voor veel onrust heeft gezorgd, is de situatie dat er opeens twee stromingen waren, twee soorten ‘Plus’. Waar er eerst één systematiek van Plus was, die de afgelopen zes jaar werd omarmd, was daar opeens Keurmerk Fysiotherapie dat met Zilveren Kruis afsprak: wij hebben een nieuwe methodiek. Die gaat er veel meer vanuit dat fysiotherapeuten zelf de kwaliteit bepalen. Plots bleken er voor de zomer dus opeens twee vormen van Plus te zijn, één van Zilveren Kruis en één van CZ, Menzis en de andere grote verzekeraars. Dat heeft een kleine bom gelegd binnen de fysiotherapie. Opeens moest je als praktijk aan twee vormen voldoen.

 

Ook het KNGF roerde zich. Het KNGF geloofde al niet zo in differentiatie (misschien nog steeds niet) maar door de druk in de markt moesten ze ook wel wat doen. Al was het maar om geen leden te verliezen aan het Keurmerk Fysiotherapie. Deze ontwikkeling is nog steeds gaande. Door het relatief grote aandeel Plus-praktijken van Zilveren Kruis, is de differentiatie ook weer minder goed te regelen.

 

Behandelinde

Op dit moment is PPNL / Fysiotopics (PPNL=Plus Praktijken Nederland) in oprichting om voor de excellente fysio therapie de differentiatie toch weer goed in de markt te zetten. Ook tracht deze nieuwe vereniging de belangen te verdedigen. De afgelopen jaren was de behandelindex een belangrijke factor in de bedrijfsvoering van de fysiotherapeut. Praktijken worden nog steeds afgerekend op de behandelindex. Deze index is zelfs één van de actoren die bepaalt of je Plus krijgt of niet. Het probleem is echter dat de behandelindex ieder jaar lager wordt. Als de behandelindex 100 is, dan haalt de beroepsgroep, aan het eind van het jaar natuurlijk een behandelindex van 98. Het gemiddelde aantal behandelingen dat daar dan bij hoort wordt volgend jaar leidraad en wordt dan de 100-index. Dit gaat jaarlijks zo door en de beroepsgroep probeert ieder jaar onder de index-100 uit te komen met als gevold dus een steeds lager wordend behandelgemiddelde. Dit is de afgelopen vier jaar het geval. Dat betekent dat de grotere praktijken, die meestal wat meer insteken op innovatie en ontwikkeling en ook hoger in de kosten zitten, daar relatief het meeste last van hebben. Als je als praktijk laag in je kosten zit, bijvoorbeeld met een kleine praktijk, kun je dit waarschijnlijk veel langer volhouden.

 

Dat is voor veel praktijken wel een alarmbel geweest. Als dit zo doorgaat, worden straks de kwaliteitspraktijken de dupe. Door het huidige beleid zie je dan ook steeds meer eenpitters die ergens op een lage kostenlocatie beginnen. Hierdoor daalt ook het gemiddeld aantal fysiotherapeuten per praktijk.

Voor veel zorgondernemers is het een beetje cru. Voor sommigen is een nieuw model zelfs noodzakelijk om het te blijven redden. Dat is een probleem dat momenteel speelt in de markt.

 

Een van de alternatieven die als pilot worden ontwikkeld zijn andere betalingsvormen. Ook kijken de zorgverzekeraars al of ze niet meer naar doelgroepen bekostiging moeten. Prijsafspraken in plaats van betalen per behandeling... Dus meer DBC, een product, waar je afspraken voor maakt. Dit soort ontwikkelingen moeten tot nieuwe vormen leiden.

 

 

 

 

 

 

Veranderende markt

Maar ook de markt verandert. Er zijn minder verzekerden, er is meer consumentengedrag dan vroeger. De zichtbaarheid van een praktijk wordt (ook online) steeds belangrijker. Vroeger was de arts als verwijzer nog doorslaggevend voor een succesvolle praktijk. Nu kun je beter 10 goede reviews hebben. Dat heeft bij wijze van spreken meer waarde voor de patiënt dan het feit dat er een specialist is die al 20 jaar ervaring heeft met bijvoorbeeld lage rugklachten. Dit soort trends dwingen je om na te denken over de vraag waarop je wilt acteren.

 

Andere veranderde factoren zijn leefstijlproblematiek en substitutie. Wat normaal onder fysiotherapie valt, kan straks misschien ook gewoon in de sportschool. Of waarvoor je altijd naar het ziekenhuis ging kan straks ook in de eerste lijn. Het substitutievraagstuk luidt: waar kunnen we voor de laagste kosten een zo hoog mogelijke kwaliteit halen? Dit soort trends zijn interessant, maar roepen ook veel vragen op, met name bij de grotere praktijken. Niemand weet precies waar het naartoe gaat of wat er precies gaat gebeuren, maar niemand wil de boot missen.

 

Zorgsturing vanuit de polis

De verwachting is dat er in de toekomst meer op doelgroepen gericht gaat worden. Dat we meer gaan naar zorgproducten voor de grotere disciplines. Er moet meer klantwaarde gecreëerd worden. Kwaliteit zit hem in een combinatie van vakinhoudelijke kwaliteit, organisatorische kwaliteit en kwaliteit richting patiënt (relaties bouwen en onderhouden). Dat zijn de drie belangrijkste pijlers van kwaliteit.

 

Welke invloed dit straks heeft op welke praktijken is nog niet echt te zeggen. Komt er een polis waarbij je met lage rugklachten te horen krijgt: als je daarnaartoe gaat krijg je het volledig vergoed en bij vrije keuze betaal je dertig procent zelf? Misschien gaan we daar wel naartoe. Dat de zorgsturing vanuit de polissen gaat plaatsvinden. Het is tot op heden nog niet gebeurd, maar wie weet. De grote zorgverzekeraars zeggen al wel: wij willen zinnige zorg, dus we willen daar ook bepaalde sturing in krijgen.  

 

Keuzes maken

Met de huidige trends en ontwikkelingen staat de fysiotherapeut voor belangrijke keuzes. Ga je je meer richten op leefstijl (voeding in relatie met gezond leven)? Wat doe je straks met een patiënt die behalve heupslijtage ook dertig kilo overgewicht heeft? Kun je hierbij combineren? Word je straks meer coach dan behandelaar? Of misschien een combinatie? Heeft anderhalve lijnszorg de toekomst (bijvoorbeeld met de geestelijke gezondheidszorg)? Vragen te over.

De laatste jaren zien we steeds meer multidisciplinaire samenwerkingen. Je moet je echter wel af blijven vragen of je het echt multidisciplinair hebt georganiseerd. Dat gaat verder dan je eigen ding blijven doen en melden dat je patiënt ook nog maar even langs de diëtist moet. De fysiotherapeut moet zorgen dat hij de regie in dit proces houdt, hij moet op de centrale plek zitten waar hij kan sturen. Hier kunnen nog stappen gemaakt worden. Want hoeveel praktijken hebben echt een diëtist in dienst?

 

De keuze die de zorgondernemer moet maken hangt af van verschillende factoren. Als je een goede specialist bent of een goede manueeltherapeut, kun je wellicht prima als eenpitter blijven bestaan. Veel zal afhangen van de financiering. Wat wordt verzekerd en is het dichtbij? Dat zijn de belangrijkste actoren waarop mensen hun keuze bepalen.

 

Weinig patiënten kunnen echt een reëel oordeel geven. Hoe moet je weten hoe goed iemand is? De zorgverzekeraars zeggen dat iemand die 300 schouders per jaar ziet, een specialist is. Daar zit zeker een kern van waarheid in. Je ziet ook steeds meer specialisaties, maar is de patiënt hiervan op de hoogte? Zoals de eenpitters wat populairder blijken te worden, stellen ook steeds meer praktijken zich de vraag: kan ik niet beter basis blijven en geen Plus? Er is door de regelgeving veel inefficiënte tijd geweest bij praktijken. Sommige zorgondernemers kiezen er nu bewust voor om als basis praktijk minder regeltjes te hebben en een minder strakke behandelindex. Gewoon lekker werken…

Ze geloven wel in kwaliteitsdifferentiatie, maar niet in de methodiek zoals die nu gehanteerd wordt.

Zij kiezen bijvoorbeeld bewust voor een lager tarief. Dat scheelt een paar euro, maar het kan een serieuze overweging zijn. “Ik stop maar eens even met die Plus. Ik moet er zoveel voor doen en bovenal: komt het mijn patiënt eigenlijk wel ten goede?”

 

Wat onomkeerbaar lijkt is dat we in de toekomst meer gaan naar doelgroepgerichte zorg, in combinatie met outcome. Vooral die outcome wordt steeds belangrijker. Niet voor niets zie je steeds meer vragenlijsten voor- en achteraf. Hoe meet en lever je kwaliteit en hoe zorg je dat je patiënt tevreden is en denkt: hier zit ik goed. Dat is de zoektocht van dit moment.

 

 

 

 

Rol voor de netwerken

Ook de netwerken kunnen een steeds belangrijkere rol gaan spelen. Vroeger was dat vooral naar de zorgverzekeraars, maar tegenwoordig vooral op het gebied van informatievoorziening. Veel praktijken zijn druk en het is lastig om alle ontwikkelingen op de voet te blijven volgen. Een netwerk kan dit volgen voor haar leden. Is het raadzaam om je praktijk anders in te richten? Wat betekent het voor je praktijk als je straks nog meer outcome moet genereren? Straks krijg je niet meer per behandeling betaald maar krijg je 300 euro voor een lage rug. En zorg maar dat je daarop kan draaien. Dan zal je toch je praktijk anders moeten inrichten. Een netwerk kan hier een belangrijke taak in vervullen. Zaken waar je als praktijk zeker je voordeel mee kunt doen zijn onder andere peer reviews en benchmarken. Binnen je eigen netwerk ben je geen concurrent van elkaar waardoor je écht kunt sparren en vergelijken. Voordeel is dat je dit als lid van een netwerk niet zelf hoeft te organiseren. Dat neemt weer wat werklast weg.

 

Sommige netwerken zijn momenteel betrokken bij de belangenvereniging Fysiotopics. De belangenvereniging is overkoepelend zodat het zelfs niet uitmaakt bij welk netwerk je zit. Sommige afspraken moet breed gedragen worden, zelfs over de verschillende netwerken heen. Vergelijk het met de streepjescodes in supermarkten. Of het nu Albert Hein of Jumbo is, de barcodes werken allemaal hetzelfde. Dat moet ook gelden voor zorgafspraken. Daar heeft iedereen mee te maken dus moet je dat ook voor iedereen kunnen regelen. Dat kan uitstekend via een belangenvereniging, die direct ook een vuist kan maken naar de zorgverzekeraars. De netwerken kunnen vervolgens op hun eigen manier de leden informeren. Beter samen dan elkaar beconcurreren, zo is de opinie.

 

De toekomst

Er moet iets gebeuren… De keuze die fysiotherapiepraktijken moeten gaan maken hangt vooral af van de persoonlijke situatie. Ben je een early adopter of wacht je tot de markt zich heeft gesetteld? Het zijn moeilijke keuzes, die van veel factoren afhankelijk zijn. In wat voor regio ligt je praktijk? Welke zorgverzekeraar is preferent? Maar vooral, wat wil je zijn? Wil je bijvoorbeeld door met excellente zorg? Dan moet je op een andere manier je zorgverlening gaan neerzetten. Dan zul je structureel moeten meten. Toch is het belangrijker dát er een keuze wordt gemaakt dan welke keuze er wordt gemaakt. Tenslotte kan niet de hele markt excellent worden. Het is zaak om optimaal om te gaan met trends als e-Health en technologie. Technologie zie je net als in andere sectoren steeds meer ingebed worden in de dienstverlening. Maar ook vergrijzing is een trend waar je rekening mee moet houden. Net als substitutie, of leefstijl. De steeds lagere behandelindex dwingt de praktijken haast tot actie. Dat geldt zeker voor de grotere praktijken. In een markt in beweging moet je stappen blijven zetten om niet te laat te zijn. Zorg dat je kiest waar je naartoe wil, duidelijk beleid maakt en laat dat ook zien.

Communicatie, zichtbaar zijn, is cruciaal want anders red je het niet. De zorgverzekeraars hebben eigenlijk gezegd:
zoek zelf maar even uit wat kwaliteit is, wat wij willen is outcome. Een beetje naar het model van Porter: Value based outcome. De belangrijkste gedachte is: hoe kunnen we meerwaarde creëren bij patiënten voor een optimale prijs en met maximale kwaliteit.

Fysiotherapeuten moeten aantonen dat wat ze doen klantwaarde heeft. Daar ligt de essentie van de zoektocht van dit moment. Wakker worden en nadenken wie en wat je wilt zijn… Waarbij het zomaar kan dat wanneer je te lang geslapen hebt, er voor jou geen ruimte meer is op de markt. Want uiteindelijk is het einde van de fysiotherapie zelf natuurlijk niet in zicht, maar wel zoals we de fysiotherapie tot nu toe kenden. Dus kijk en leer, maak een keuze en beweeg!

 

 

 

Over Het Gezonde Net:
Strategieontwikkeling

Vanuit Het Gezonde Net is onlangs een strategische rond-de-tafel-bijeenkomst georganiseerd waarin de toekomst van de fysiotherapie op de agenda stond. Waarom? Omdat de fysiotherapeut van nu over een aantal jaren geen bestaansrecht meer heeft. Het bestuur en management van Het Gezonde Net zaten samen met een aantal praktijkhouders bijeen om van gedachten te wisselen over een aantal issues. Er is uitvoerig en vrij gediscussieerd over de huidige status van de onderneming van de fysiotherapeut en de te verwachten ontwikkelingen in de toekomst.

 

Twee ontwikkelingen met betrekking tot de fysiotherapie kwamen boven drijven: multidisciplinaire behandelcentra en leefstijlprogramma’s. Het Gezonde Net ziet de manier waarop fysiotherapie nu is georganiseerd drastisch veranderen. Op dit moment loopt de medische zorg en het consumentengedrag dwars door elkaar heen. Tot nu toe worden de meeste fysiotherapeutische behandelingen nog wel door de zorgverzekeraars gefinancierd. Hierbij maakt deze (nog) geen onderscheid in het type zorg dat wordt vergoed. Fysiotherapie wordt vergoed wanneer het als onderdeel van medische zorg wordt gedeclareerd, maar ook wanneer de fysiotherapeut het als onderdeel van leefstijl declareert. En in de strategische bijeenkomst van Het Gezonde Net kwam weer naar voren hoe lastig het is als we hierin niet helder en consequent declareren. Op korte termijn zit de therapeut die niet kritisch declareert nog goed, maar op termijn graaft hij in deze toch zijn eigen kuil.

 

Multidisciplinaire behandelcentra

Eerst de ontwikkeling qua multidisciplinaire behandelcentra. Voor de medische zorg komen er steeds meer multidisciplinaire behandelcentra. Hier kan de patiënt onder één dak terecht voor alle zorgvragen. Fysiotherapie kan hierin leidend zijn, maar dat hoeft niet. Als ondernemende fysiotherapeut doe je er goed aan om de ambitie te hebben hierin (mede-)leidend te zijn en de regie in handen te hebben.

De patiënt maakt namelijk niet meer de keuze bij welke fysiotherapiepraktijk hij terecht kan, maar zoekt het behandelcentrum uit waar zijn zorgvraag zo volledig mogelijk kan worden ingevuld. Dus dat centrum waar zijn probleem kan worden opgelost door fysiotherapeuten in samenwerking met andere (para)medische professionals. De verwachting is dat juist zorgverzekeraars graag afspraken zullen gaan maken met multidisciplinaire behandelcentra over de financiering, waarbij het aantal zittingen niet meer de basis zal vormen.

 

Leefstijl programma’s

Leefstijl is wat door vele fysiotherapeuten meegenomen wordt in hun declaratie naar de zorgverzekeraar, terwijl Het Gezonde Net denkt dat dit echt uit de financiering van de zorg zou moeten worden gehouden of een aparte status moet krijgen met dito vergoeding. Leefstijl programma’s zijn onder andere preventieve programma’s voor bepaalde doelgroepen, juist om hen buiten de reguliere zorg te houden. Je ziet dat huisartsen en/of fitnesscentra dit al aan het invullen zijn. De fysiotherapeut zou ook in deze beweging de rol van casemanager moeten opeisen. Want net als bij de multidisciplinaire behandelcentra, komt ook leefstijl onder een dak terecht, samen met bijvoorbeeld voedingsdeskundigen, en fysio- en gedragstherapeuten.

Het Gezonde Net stimuleert de bij het netwerk aangesloten praktijken voor een duidelijke profilering richting de zorg- en/ of leefstijl. In beide gevallen multidisciplinair en onder één dak.

 

Meer info: www.hetgezondenet.nl

 

 

Ron Haanschoten:

“De beste zorg, tegen de beste prijs, met een zeer tevreden patiënt”

 

Ron Haanschoten is voorzitter van de coöperatie Het Gezonde en tevens praktijkeigenaar van Adfys Paramedisch Centrum Montfoort. Ron: ”De praktijkeigenaren zijn allemaal vakmensen! Het managen van de praktijk is het ‘tweede vak’ geworden waar zij in eerste instantie niet al te veel affiniteit mee hadden en hebben.

 

Gezien de ontwikkelingen in de markt wordt het organiseren van je dienstverlening cruciaal voor de toekomst; vakinhoudelijke kwaliteit koppelen aan het creëren van optimale klantwaarde. Hoe lever ik de beste zorg, tegen de beste prijs met een heel tevreden patiënt/cliënt? Dát wordt de uitdaging voor de toekomst. De netwerken kunnen praktijken ondersteunen het ‘tweede vak’ optimaal in te zetten om als professional te kunnen excelleren. Ik geloof dat je met elkaar meer bereikt dan in je eentje. Mijn advies luidt dan ook: zoek elkaar op!”

 

 

Joost Valkenberg:

“Ik ben voor differentiatie van fysiotherapeuten”

 

Joost Valkenberg is consultant bij Wittemeer. Wittemeer heeft als missie: ‘Bewerkstelligen dat fysiotherapiepraktijken ook op lange termijn als gezonde bedrijven blijven functioneren.’ Tevens is Joost dit jaar toegetreden als nieuwe bestuurder van de coöperatie Het Gezonde Net. Joost: “Dé patiënt bestaat niet, net zo min als dé fysiotherapeut. Patiënten zijn uniek, net zoals hun behoeften en de oplossingen voor hen. Je hebt zelfstandige praktijkhouders, ondernemende praktijkhouders en combinaties. Dat was misschien altijd al zo, maar het wordt nu steeds manifester. De vraag is dan ook of praktijkhoudende fysiotherapeuten georganiseerd moeten blijven zoals ze nu zijn. Andere uitdagingen vragen misschien wel andere (organisatie) oplossingen.

 

De huidige netwerken zullen zich, net zoals de bij hen aangesloten praktijken, achter de oren moeten krabben hoe ze in de toekomst nog toegevoegde waarde kunnen leveren. Ik ben voor differentiatie van fysiotherapeuten en praktijken omdat iedere patiëntvraag een eigen aanpak kent (in kwaliteit, duur, logistiek, doorlooptijd etc.) en er wat betreft effectiviteit van behandelen volgens mij echt wel onderscheid is tussen de ene en de andere fysiotherapeut of praktijk. Met de patiënt als winnaar!

 

Hoe nu verder? Het is makkelijk om te roepen wat er aan de huidige systematiek van zorg niet deugt. Daar schieten we echter niets mee op. Laten we initiatieven zoals PPNL en wellicht nog vele anderen, omarmen en aan de slag gaan. Dit geeft weer nieuwe inzichten waar we van kunnen leren en vervolgens weer verder mee kunnen.”