26 oktober 2017 | Tekst: Martijn Plantinga | Beeld: Wim van IJzendoorn en Martin Waalboer

Download een pdf versie van dit artikel >>

 

Bijzondere samenwerkingen in de eerste en tweede lijn

 

Eerder dit jaar spraken we met voorzitter Hank Drewes en ex-voorzitter Hans Heneweer van de NAOMT over de toekomst van de associatie van orthopedisch manueel therapeuten. Therapeuten moeten meer samenwerken met andere bloedgroepen, kruisbestuivingen opzoeken en werken volgens het ‘Meester-gezel’ principe, waarbij je jongeren het echte beroep nog wil meegeven. Jan Bakker, orthopedisch manueel therapeut en eigenaar van Bakker & Bouter fysiotherapie, behoort tot de ‘oude garde’ en brengt genoemde zaken in de praktijk. Hij werkt samen met verschillende partijen in de eerste en tweede lijn en brengt tevens ouderen en jongeren in het vak bij elkaar.

 

Klinische diagnostiek

Pluspraktijk Bakker & Bouter fysiotherapie bestaat al 37 jaar. Destijds werd de praktijk opgericht door Jan Bakker en zijn vrouw Helen. In de praktijk werken totaal 18 mensen in specialisaties als kinderfysiotherapie, orthopedische manueeltherapie, traumatologie, shockwave therapie, claudicatio, COPD, dry needling, oedeemtherapie en orthopedische revalidatie na interventies. Jan is zelf vooral werkzaam als orthopedisch manueeltherapeut en heeft zich mede gespecialiseerd in de klinische diagnostiek. “Binnen de praktijk is hier veel aandacht voor. De mensen komen bij ons met een klacht in hun functioneren. Zij hebben hierover vaak vooraf al zelf een idee of juist niet. Als ik klinisch onderzoek, kan ik geen gebruik maken van bijvoorbeeld röntgen, MRI of echo. Ik ga dus puur af op mijn eigen testen die ik doe en waarop ik een positieve of negatieve reactie krijg.”

 

De ideologie en drijfveer zie je
bij ouderen toch meer dan
bij de jongeren

 

 

Het komt bijvoorbeeld voor dat iemand in de praktijk komt met een meniscus probleem. De patiënt heeft een knak gehoord en gaat er al bij voorbaat vanuit dat hij een meniscus trauma heeft. Met testen, het belasten of ontlasten van de meniscus, stelt Jan een diagnose. Als er een scheurtje in de meniscus zit en de knie wordt belast, zal de patiënt pijn aangeven als Jan de ‘klik’ voelt. Jan: “Dit soort klinische testen heeft een specificiteit en betrouwbaarheid van rond de 95 %. In zo’n geval heb je dus eigenlijk geen MRI meer nodig. Dit is een zeer goedkope manier van diagnostiek die bovendien zeer betrouwbaar is. Uiteraard moet je het wel goed in de vingers hebben. Wanneer je twijfelt of je stelt een diagnose waarbij je zelf niet veel kunt doen, kan de patiënt altijd terug naar de verwijzer of naar een andere specialist. Klinisch onderzoek wordt gelukkig de laatste jaren weer belangrijk. In sommige postacademische opleidingen wordt er ook wel voldoende aandacht aan gegeven, al vind ik het in de reguliere fysiotherapieopleidingen mager. Verder leer je natuurlijk vooral in de praktijk.

 

 

 

 

 

 

Samenwerking pijnbehandelcentrum

Behalve in je eigen praktijk, leer je vooral van anderen, zo is de visie van Jan. Zijn praktijk werkt samen met verschillende partijen, op uiteenlopende vlakken. Zo is er nauw contact met de huisarts - er wordt nog steeds veel doorverwezen door de huisarts - maar ook met drie pijnpoli’s, twee orthopediepoli’s, twee revalidatiepoli’s, neurologie en met vaaten longartsen als het gaat om claudicatio en COPD. Tevens maakt Bakker & Bouter deel uit van het Schoudernetwerk Rotterdam. Hierbij zijn ruim 20 fysiotherapiepraktijken aangesloten die de schouder als specialisme hebben. Ze werken samen met orthopeden uit diverse ziekenhuizen om te komen tot een eenduidig behandelbeleid bij schouderproblemen.


Ik durf te stellen dat klinische
diagnostiek een betrouwbaarheid
heeft van 95%


 

Misschien wel de meest in het oog springende samenwerking heeft Bakker met het pijnbehandelcentrum van het Albert Schweizerziekenhuis in Sliedrecht. Jan: “Eén van de artsen destijds werkte daar met TDD (Targeted Disc Decompression) en Nucleoplasty, beide behandelvormen waarmee ze hernia’s kunnen behandelen. Hij was op zoek naar samenwerking met een fysiotherapeut. Ik heb hem gebeld met de vraag: ‘wat zou jij willen dat ik doe met deze patiënt? We kwamen al snel bij en tot elkaar en gingen samenwerken. Ik zou in eerste instantie de voorlichting gaan doen, want ik geloofde wel in zijn manier van behandelen. Inmiddels is hij al ruim tien jaar vertrokken daar, maar ik heb altijd contact gehouden met zijn opvolgers in het ziekenhuis. Sterker nog, het contact is alleen maar uitgebreid en geïntensiveerd. In eerste instantie ging ik eens per maand daarheen voor overleg met pijnartsen en pijnverpleegkundigen.  

 

Later is dit een multidisciplinair overleg geworden en tegenwoordig zitten we met allerlei disciplines aan tafel die bij een revalidatietraject betrokken zijn. Elke laatste vrijdag van de maand zitten we ’s ochtends bij elkaar en bespreken we de pijnpatiënten waarmee we eigenlijk een beetje vastlopen.

 

 

 De regie bij het MDO ligt bij het afdelingshoofd van de pijnpoli. Zij bewaakt het dossier en houdt alles wat besproken wordt hierin bij. Als enige externe heb ik geen directe toegang tot het dossier, maar één belletje en ik weet het ook. ‘Reguliere’ gevallen worden gewoon individueel besproken. De pijnarts overlegt dan met enkel de betrokkenen. Dat kan bijvoorbeeld met een psycholoog of revalidatiearts zijn, of met mij. Maar het kan ook voorkomen dat we een beetje vast lopen. Dat er meerdere disciplines benodigd zijn tijdens het genezings- of herstelproces. In dat geval zitten we allemaal bij elkaar en bespreken we de case tijdens het maandelijkse MDO (multidisciplinair overleg). Het komt maar sporadisch voor dat het MDO niet doorgaat omdat er te weinig cases zijn. Gemiddeld bespreken we zo’n 8 tot 15 patiënten per keer. Iedereen doet natuurlijk zijn eigen ding, maar we bespreken goed wat een ieder kan doen, zodat je ook op de hoogte komt van elkaars mogelijkheden. Ook buiten de muren van het ziekenhuis zoekt Jan naar samenwerkingen en kruisbestuivingen.

 

Zo waren er de afgelopen tijd al twee mini-congressen waarbij verschillende disciplines vertegenwoordigd waren. Een dergelijk congres leent zich bij uitstek om elkaar te vertellen wat je doet en welke interventies je vanuit jouw vakgebied kunt geven aan een patiënt. Jan: “Onze mogelijkheden komen ter sprake, maar zeker ook onze beperkingen. Daar kunnen anderen dan juist weer mee verder. Ik ben natuurlijk minder in bijvoorbeeld de begeleiding op psychologisch vlak.” Op het moment dat er getraind moet worden, kan dat bij mij maar tot een bepaalde hoogte. Dat heeft ook te maken met het verzekeringspakket. Meestal heeft een patiënt twaalf behandelingen, maar als iemand een paar maanden heel intensief behandeld moet worden is dat lastig voor mij. Daar heb ik niet altijd de tijd en ruimte voor. Zeker als er ook sociaal-maatschappelijke factoren bij komen kijken, kan zo iemand beter naar een revalidatiecentrum. Dat vertel ik kort in het MDO wat ik al heb gedaan en geef ik aan dat wij niet verder kunnen. Dan kan iemand anders het overnemen. Dat werkt heel prettig.”

 

 

 

 

 

Korte lijnen

Wat is nu de grootste meerwaarde van deze samenwerking voor zijn praktijk? De grote ‘winnaar’ is zonder twijfel de patiënt, meent Jan. “Men kent ons als goede klinische diagnost. Als een bepaalde specialist niet zeker is van een diagnose, kijk ik er nog eens klinisch naar. Denk bijvoorbeeld aan een hernia. Natuurlijk herken ik ook een hernia, maar bij het onderzoeken van de rug kan ik ontdekken dat er een gewrichtje vast zit en een zenuw beknelt op dezelfde wijze als hoe dat bij hernia zou kunnen. Dat kan ik dan weer wél behandelen. We spreken af wie wat doet en na enkele behandelingen kan een patiënt weer pijnvrij zijn.” Een ander voordeel zijn de korte lijnen die zijn gegroeid door de samenwerkingen.
 

Als je op een hoog niveau wilt
functioneren dan zijn
dit soort samenwerkingen
en initiatieven een must


 

Bakker werkt ook samen met de traumapoli van het Maasland ziekenhuis. Als iemand van wintersport terugkomt met klachten na het skiën, duurt het normaliter wel even voor je bij het ziekenhuis terecht kunt. Jan: “Als wij bellen kan zo iemand vaak binnen twee dagen of soms zelfs dezelfde dag terecht. Door ons periodieke overleg kennen we de mensen daar. Ondanks de wachtlijsten kunnen patiënten waarvoor wij bellen sneller terecht. Daar zijn ze natuurlijk heel blij mee. Dat geldt voor neurologie, maar ook bijvoorbeeld longen en vaten. Soms zijn ze zelfs sneller op de juiste plek dan wanneer de huisarts ze doorverwijst. Dat is een bijkomend voordeel van onze samenwerkingen.” Het is soms ook een kwestie van elkaar helpen en gunnen. Ook Bakker & Bouter verwijst regelmatig patiënten door naar collega’s. Bijvoorbeeld omdat het druk is of omdat een patiënt ver weg woont. In dat geval wordt er gekeken of er een goede praktijk in de buurt zit. Veelal kan gebruik worden gemaakt van het netwerk van de NAOMT.

 

 

 

 

Meester-gezel

Binnen de NAOMT zijn diverse stemmen opgegaan om weer te gaan werken volgens het meester-gezel principe. Jan kan zich daar helemaal in vinden: “Dat is inderdaad de richting die we op moeten. De oudere therapeuten binnen de NAOMT hebben een schat aan kennis en ervaring. Die mag natuurlijk niet verloren gaan.” Binnen de praktijk is minimaal een uur per week ingeruimd voor overleg met drie jonge fysiotherapeuten. Hierbij worden technieken geleerd, patiënten besproken en kijken we samen hoe zij bepaalde behandelingen uitvoeren. En tenslotte is er uiteraard ruimte voor verdieping in de klinische diagnostiek. Ook buiten de praktijk is Bakker hiermee bezig. Samen met Harold Mourik en Ron Aalberse van de NAOMT gaat hij bijeenkomsten organiseren op regionaal niveau waarbij ouderen en jongeren bij elkaar komen om technieken en competenties uit te wisselen. Dit najaar wordt hiermee gestart.

 

Er is nauw contact met de huisarts,
maar ook met drie pijnpoli’s, twee
orthopediepoli’s, twee
revalidatiepoli’s, neurologie en met
vaat- en longartsen

 

“Samen zitten en oefenen. De jonge garde kent veel basistechnieken, maar ‘wij oudjes’ kunnen ze vaak nog heel wat bijbrengen.” Ondanks de meerwaarde en positieve ervaringen verwacht hij niet dat veel praktijken zijn voorbeeld zullen volgen. Eén van de redenen is dat het niet direct geld oplevert. Maar, zo stelt Jan: “Als je op een hoog niveau wilt functioneren dan zijn dit soort samenwerkingen en initiatieven een must. Je moet over de grenzen van je eigen vak heen kijken en ook andere invalshoeken van patiënten leren beoordelen. Dát is kwaliteit. Het is jammer dat de zorgverzekeraars een andere definitie van kwaliteit hebben dan wij. Wij hebben het over kennis en kunde waarmee je kunt behandelen, de zorgverzekeraars hebben het vooral over kostenbesparing. Dat is jammer, want voor hoge kwaliteit zou ook een goede vergoeding moeten staan. Voor een mooie luxe auto betaal je ook beduidend meer dan voor een middenklasser.”

 

Ideologie

Toch is geld niet de drijfveer. Het is eerder een ideologie. De ideologie en drijfveer die je bij de ouderen toch meer ziet dan bij de jongeren. Zij zouden meer ‘begeisterd’ moeten raken, vind Jan. Al zijn er gelukkig ook positieve voorbeelden. “Feit is dat je zo graag wil dat iedereen enthousiast is over ons mooie vak. Ik ben al 25 jaar orthopedisch manueel therapeut. Toen ik afstudeerde was het verre van zeker of je wel een hogere vergoeding zou krijgen, maar dat boeide je niet. Je ging er gewoon voor. Andere manueel therapeuten kregen dat wel, maar NAOMT-ers waren daar toen niet zeker van. Heel veel mensen begonnen aan de cursus terwijl ze al wisten dat maar 1 op de 3 zijn diploma zou halen. En toch begonnen ze eraan. Was je geslaagd, dan wist je nog niet zeker of je een hoger tarief kreeg. Na een aantal jaar hebben we dat toch voor elkaar gekregen, maar dat wist je toen vooraf niet. Je ging er gewoon voor. En dat doen we nog steeds. Want de orthopedische manueeltherapie is een fantastisch vak. En samen, niet alleen met vakgenoten, maar juist ook met andere partijen, kunnen we een zeer waardevolle bijdrage leveren aan de zorg voor vele patiënten.  

 

Meer info:

 

 

 

Bakker & Bouter Fysiotherapie

Bakker & Bouter Fysiotherapie is al meer dan 30 jaar actief op het gebied van fysiotherapie. De oprichters, Jan en Helen Bakker, zijn beide actief in de praktijk. Jan is orthopedisch manueel therapeut en Helen is kinderfysiotherapeut en sensorische integratie therapeut. De patiënt staat altijd centraal in de praktijk in Ridderkerk. Om dit goed te kunnen doen, zo menen de eigenaren, wordt de kennis op een hoog peil gehouden en zijn alle medewerkers op de hoogte van de ontwikkelingen binnen én buiten de fysiotherapie. Alles staat in het teken van het verminderen van de klachten. Daarom werkt de praktijk samen met een groot aantal specialisten binnen de zorg en zijn er diverse samenwerkingsverbanden zoals u in het artikel kunt lezen. Tevens is de Pluspraktijk aangesloten bij netwerkorganisatie Het Gezonde Net en van de NAOMT, de overkoepelende organisatie van Orthopedisch Manueel Therapeuten van Nederland.